Line breeding

In de voorgaande stukken over de Marshwood Stoeterij kwamen we telkens terug op de basis van hun succes en wel het structureel fokken van Shetlanders via het line-breeding principe. In het laatste stuk uit deze serie wordt ingegaan op lijnteelt, een fokwijze die al toegepast werd op de Londonderry Stoeterij eind 19e eeuw en ook door Betty en Maurice Cox op Marshwood werd omarmd. Wij putten hierbij uit passages van het boek dat Maurice over Shetlandponies heeft geschreven. Ook in onze fokkerij is het onderwerp veel besproken en ook veel toegepast. Wij kunnen in dit artikel mooi inhaken op de actualiteit en het recent door het NSPS geïntroduceerde inteeltcoëfficiënt bespreken. Dit hulpmiddel zal de fokker bewuster maakt van in en lijnteelt.

Historie

Ergens rond 1870 was de Marquis of Londonderry met zijn stoeterij in Bressay op de Shetland Eilanden, de eerste die het fokken van Shetlandponies op een serieuze manier aanpakte. Doelstelling was een sterke, kleine pony te fokken, die dienst deed in de mijnen. Omdat er toen slechts een 200-tal Shetlanders rondliepen op de Eilanden en daarvan slechts een aantal voldeed aan zijn ideaalbeeld, voerde hij een strak selectiebeleid. De Marquis ontkwam niet aan inteelt in zijn eerste jaren, omdat er immers maar weinig ponies waren. Hij wilde wel de voor hem belangrijke elementen in zijn ponies terug zien en gebruikte hengsten die deze elementen bij hun nazaten vererfden. Basishengst was Jack 16, een hengst waarvan de afstamming onbekend was. Ook zijn drie zonen Laird of Noss 20, Lord of the Isles 26 en Odin 32waren grote verervers in die tijd. De hengst Prince of Thule 36 en zijn zoon Oman 33, waren anders, meer het “volbloed type” en zij werden veelvuldig gebruikt op dochters van Jack 16 of die van zijn zonen en kleinzonen. De nafok hiervan werd dan weer gecombineerd met de Jack-lijn. De bloedlijnen van de ponies van nu gaan bijna allemaal terug naar deze fokkerij en dan specifiek Jack 16. De Marquis geeft een goed voorbeeld van hoe je door lijnteelt  een stoeterij opbouwt met ponies die confirmeren aan je ideaalbeeld, met behoud van (wenselijke) erfelijke kenmerken.

Bob MacKenzie timmerde in 1890 hard aan de weg met zijn Earlshall stoeterij, waarvan de basis volledig Londonderry was. Hij was toonaangevend in die tijd, vooral als fokker en handelaar. Ook oude bekende stoeterijen als Transy, Maryfield en Harviestoun, legden hun fundament via de Londonderry ponies. In 1899 bij de opheffing van de Londonderry Stoeterij, kocht de grootvader van Dougal Dick zes merries die mede Transy groot maakten. De Marshwood Stoeterij is, zoals in het eerste artikel vermeld begonnen met de schimmelhengst Bohemian of Earlshall, via Jessamine een van de grondleggers van de befaamde J-line.

Lijnteelt

In 1965 schreef Maurice Cox een van de eerste boeken over Shetland Ponies. Een absoluut zeer lezenswaardig boek, waaruit blijkt dat hij enorm veel kennis bezat over fokkerij van Shetland Ponies en alles daar omheen. Maurice Cox was van mening dat je pas “fokker” genoemd kon worden wanneer je de lange adem had om met beleid en kennis en binnen de rasomschrijving naar je eigen, ideaal beeld van Shetland Pony toe te werken. Een essentiële vraag was welk type pony wil je fokken. Een serieuze fokkerij heeft altijd een uniform type merrie.

Uiteraard is de keuze van een hengst van groot belang. Volgens Cox is een via lijnteelt gefokte hengst in staat een uniforme groep veulens te fokken, zelfs al zijn de merries niet van hetzelfde type en afstamming. De beste bloedlijnen echter, worden gefokt met hengsten van vergelijkbaar type en met een verwante bloedvoering. Ook Cox benadrukt dat door lijnteelt de goede en wenselijke raseigenschappen en kenmerken in een fokkerij verankerd kunnen worden. Je moet hierin niet te ver gaan (inteelt) en er zeker van zijn met gezonde ponies te fokken zonder erfelijke gebreken. Doe je dit wel dan kan inteelt leiden tot ponies met slechte karaktereigenschappen, natuurlijke afwijkingen en verlies van vruchtbaarheid. Ook benadrukt Cox dat niet altijd de beste hengst ook de best fokkende is. Ideaal is dat een goede hengst zijn beste eigenschappen doorgeeft, echter een minder mooie en lijnteelt gefokte hengst kan bij een aan zijn lijn verwante merrie, zeer mooie uniforme veulens geven. Een goed voorbeeld hiervan was Stelmor of Transy (Joseph of Marshwood), op zichzelf niet de niet de beste shower, maar in combinatie met Marshwood merries zeer succesvol.

Lijnteelt is een fokwijze die waardevol is gebleken bij elke fokkerij van dieren. Uiteraard is iedereen vrij in zijn visie op het fokken van dieren en is elke mening een juiste. Het gaat erom dat je zorgvuldig omgaat met je fokkerij en dat raseigenschappen van bewezen toppers in bloedlijnen verankerd blijven. Bij lijnteelt grijp je terug naar bepaalde succesvolle bloedlijnen maar worden steeds enkele generaties overgeslagen. Bij inteelt zijn de banden nauw bijvoorbeeld moeder/zoon of vader/dochter. Mijns inziens is laatste onwenselijk, immers lijnteelt lijdt zelden tot erfelijke problemen, slechte karaktereigenschappen en onvruchtbaarheid, maar de kans hierop bij inteelt is veel groter. Binnen ons stamboek is bijvoorbeeld onvruchtbaarheid op dit moment best een zorgenkindje. Om te voorkomen dat fokkers met minder kennis en ervaring in onwenselijke situaties terecht komen, adviseer ik deze groep, bij ervaren fokkers of onze foktechnische commissie te rade te gaan.

Inteelt coëfficiënt

Het NSPS stelt geen grens voor wat wel en niet acceptabel is. Fokkers dienen hier hun eigen verantwoordelijkheid te nemen. Er zijn stamboeken die wel grenzen stellen, zo is bij het Friesche Stamboek > 10% inteelt. Om fokkers meer informatie te verschaffen over de mate van inteelt van hun ponies of van de door hun gewenste combinatie tussen merrie en hengst, is recentelijk bij de administratie van het stamboekkantoor programmatuur toegevoegd waarmee het mogelijk is inteeltcoëfficiënten te berekenen. Het systeem is al in onze november uitgave uitgelegd, maar hier in het kort nogmaals.

Inteelt betekent letterlijk het paren van individuen die meer aan elkaar verwant zijn dan de gemiddelde verwantschap in een populatie. Wanneer een hengst en een merrie aan elkaar verwant zijn, is het veulen uit die combinatie ingeteeld. De mate van inteelt wordt weergegeven in het inteeltcoëfficiënt. Deze coëfficiënt is niets ander dan een kansgetal en geeft dus aan de kans dat een veulen, van de gemeenschappelijke voorouder, via vader- en moederzijde eenzelfde stukje genetische informatie erft. Hoe nauwer de merrie en hengst aan elkaar verwant zijn, hoe groter de kans.

Voor het berekenen van het inteeltcoëfficiënt zijn de afstammingsgegevens nodig tot minimaal de 6de generatie. Hoe meer generaties worden meegenomen hoe betrouwbaarder het cijfer is. Bij het NSPS worden, indien beschikbaar, de gegevens tot de 16de generatie meegenomen. Overigens mag duidelijk zijn dat naarmate de verwantschap van de merrie en de hengst in de voorouderlijn verder weg ligt van het individu waarvoor het inteeltcoëfficiënt wordt berekend de beïnvloeding van dit getal geringer is. Om een juiste berekening van het inteeltcoëfficiënt te verkrijgen is het uiteraard nodig dat de gegevens van de vooroudergeneraties correct en volledig in de administratie van het NSPS zijn opgenomen.

Bij de berekening van het inteeltcoëfficiënt wordt de formule van Wright gebruikt die als volgt luidt: FX= ∑ [(½ (n1+n2+1)) * (1+FA)]. Daarbij is:

FX       = inteeltcoëfficiënt van individu x

N1       generaties van ouder 1 van x tot aan gemeenschappelijke ouder

N2       generaties van ouder 2 van x tot aan gemeenschappelijke ouder

FA       ëfficiënt van de gemeenschappelijke ouder

Wanneer er meerdere gemeenschappelijke voorouders zijn, dienen de inteeltcoëfficiënten bij elkaar opgeteld te worden. Hoe eerder de gemeenschappelijke ouder voorkomt in de stamboom, hoe hoger het inteeltcoëfficiënt is. Wellicht is het met enkele voorbeelden nog beter te verduidelijken. Wanneer merrie en hengst halfbroer en halfzus zijn, is het inteeltcoëfficiënt van het veulen 12,5 %. Wanneer een veulen tweemaal dezelfde grootvader heeft, is het inteeltcoëfficiënt 3,13 %.  In het algemeen worden de volgende gradaties gebruikt.

F= > 25%                                   incest

F= 12,5% < F < 25%                   nauwe inteelt

F= 5% < F < 12,5%                    matige inteelt

F= < 5%                                    geringe inteelt

Praktijkvoorbeeld

Hoe werkt dit systeem nu in de praktijk. Ook op Stoeterij Bunswaard wordt gefokt via lijnteelt en wat is dan makkelijker dan een merrie uit je eigen stal hier te bespreken. Het betreft hier Alida van Bunswaard, haar afstamming (tot in de 6e generatie) is in de inzet weergeven. Via de boven beschreven formule komen we tot een inteelt coëfficiënt van 9,4%.

Zowel aan vader als aan moederskant zien we Sinjeur. Newton is hier het meest dominant (waar niet!), vooral bij Skerry zien we hem in de 2e en drie keer in de 4e generatie en hij is natuurlijk de vader van Sinjeur. Pauline manifesteert zich als grootmoeder van Catkin en Hilary. Package ontbreekt dan ook niet als vader van Fluke en Pauline. In de 4e generatie zien we ook nog twee keer Stelmor en Pericles. Deze merrie is in mijn beleving een mooi voorbeeld van lijnteelt, omdat alle genoemde voorouders, zowel via Skerry (vaderlijn) als via Hilary (moederlijn) door de generaties heen terug komen. Het zijn ook nog eens enkele zeer interessante en gevestigde bloedlijnen. Daarnaast is het inteeltpercentage tot stand gekomen door zes voorouders, wat een gezonde spreiding aangeeft.

Inteelt-% Alida van Bunswaard

Sinjeur van de Amstelhof            ½ 3+1+1 = ½5     3,2

Newton van Dorpzicht                 ½ 4+2+1 = ½7     0,8

                                                   ½ 4+2+1 = ½7     0,8

                                                   ½ 2+2+1 = ½5     3,2

Pauline of Marshwood                 ½ 4+2+1 = ½7     0,8

Pericles of Netherley                   ½ 4+4+1 = ½9     0,2

Package of Marshwood               ½ 4+3+1 = ½8     0,4

Stelmor of Transy                       ½ 4+4+1 = ½9     0,2

Totaal                                      9,4% inteelt coëfficiënt

Een ander voorbeeld is Fictief van Bunswaard, een merrie met een hoge inteeltcoëfficiënt, vanwege de grote verwantschap aan Newton. Moeder Whisper is een Newton dochter (zie inzet voor stamboom) en het zou het makkelijkste zijn, omdat ik maar een hengst ter beschikking heb, haar bij Skerry te dekken. Uiteindelijk zou dit veulen voor mij een onwenselijk product zijn en ik heb daarom, ook omdat er een aantal goede hengstenhouders in de buurt zijn, gekozen om de merrie Whisper niet bij Skerry te dekken. Fictief zal dus nooit geboren worden! Zoals uit de berekening blijkt is het  inteeltcoëfficiënt 11.4%, wat nog wel acceptabel is. Deze is echter  nagenoeg geheel door Newton alleen tot stand gekomen.

Inteelt-% Fictief van Bunswaard

Newton van Dorpzicht              ½ 4+1+1 = ½6     1,6

                                                ½ 4+1+1 = ½6     1,6

                                                ½ 4+1+1 = ½6     1,6

                                                ½ 2+1+1 = ½4     6,4      

Package of Marshwood            ½ 4+4+1 = ½9     0,2

Totaal                                      11,4% inteelt coëfficiënt

Zoals in de officiële mededelingen is aangegeven hanteert het NSPS (nog) geen normen voor het inteeltcoëfficiënt. De gegevens over inteelt worden nu alleen ter informatie voor fokkers afgedrukt in catalogi en op Bewijzen van Inschrijving. Het NSPS is voornemens om voor de fokkers het berekenprogramma ter beschikking te stellen. Hierdoor is het mogelijk dat fokkers kunnen laten berekenen wat het inteeltcoëfficiënt is van een wenselijke oudercombinatie. Met deze gegevens kun je zelf bepalen of de hoogte van het inteeltcoëfficiënt in lijn is met je eigen fokdoelstellingen, maar ook met de fokdoelstellingen van het stamboek. Zo kan het voorkomen dat een nog te keuren hengst een zo hoge coëfficiënt heeft dat goedkeuring nauwelijks wenselijk is. In praktijk moet het mogelijk zijn dit programma in het voorjaar 2010 beschikbaar te hebben.

Concluderend kunnen wij in Nederland trots zijn op onze kwalitatief zeer hoogstaande Shetlandpony fokkerij. De Marshwood ponies hebben hieraan een belangrijke bijdrage geleverd zoals ook in het Marshwood artikel van april naar voren kwam. Veel van onze ponies hebben gevestigde bloedlijnen, waardoor fokkerssucces, mits de juiste hengstenkeuze geen kansberekening meer is. In de 5e of 6e generatie komen we nog vaak de “toppers” Sprinter, Supremacy of Supreme tegen en we zien ook mooie moeders als Jessamine, Fluke en Pauline. De roep om nieuw bloed in Nederland is groter dan in ons omringende landen. Reden is dat wij een gevestigde fokkerij hebben met gewortelde bloedlijnen, vooral bij de midden en grote maat zwarte. Het is moeilijk hengsten te vinden met nieuw bloed, die passen is ons ideaal beeld. We moeten echter ook het lef hebben om te vernieuwen. Ik verwijs hierbij toch nog maar eens naar Supreme, die ons land binnen kwam met veel scepsis, begon met een 3e premie, maar toch veel betekend voor onze fokkerij.

Maurice Cox schreef in zijn boek dat je alleen een succesvolle fokker kan zijn als je kennis van Shetlanders hebt, vasthoudt aan je beleid en een lange adem hebt. Het opbouwen van een succesvolle door lijnteelt opgebouwde fokkerij, duurt vaak lang omdat generatie aan generatie wordt gekoppeld. Historie laat zien dat het wel de moeite waard is!

Ton Burgers 2008